|
Het onderwerp is ‘vertrouwelijkheid’ als omgangsvorm binnen onze club. De vraag is in hoeverre in clubverband verkregen informatie mag worden doorverteld. Ik zal een vijftal referentiepunten noemen en een suggestie doen voor een methode om ook in moeilijke gevallen bevredigende antwoorden te vinden. Eerst dus het inhoudelijke en dan als afsluiting processuele aspecten. Maar laat me eerst zeggen wat omgangsvormen eigenlijk zijn. Het zijn gedragsregels die enerzijds geen wettelijke of intrinsieke zedelijke waarde hebben en zich anderzijds van gewoon gedrag onderscheiden omdat ze binnen de kring waarin ze gelden gedrag voorspelbaar maken, een dwingend karakter hebben en daardoor het samenwerkings- of samenlevingsverband versterken. Nu dan over de referentiepunten. Het tweede referentiepunt is het waarheidsgehalte van de informatie. De waarheid spreken getuigt van respect voor zichzelf en voor anderen. Elke sociale activiteit, elke menselijke onderneming die vraagt dat mensen gezamenlijk handelen is bovendien bij voorbaat gedoemd te mislukken als men het niet zo nauw neemt met de waarheid van wat men communiceert. ‘Honesty is the best policy’. Het derde referentiepunt is schade. Brengt het communiceren van informatie potentieel schade toe aan een ander? De vrijheid van de ėėn wordt beperkt door de vrijheid van de ander. Daarom mogen mensen elkaar niet schaden. Daarvan is uiteraard wel sprake als men ongevraagd de privé leefsfeer van een ander binnendringt maar bovendien kunnen de aard van de informatie, de persoon aan wie, het tijdstip en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder wordt gecommuniceerd zowel in materieel opzicht als in termen van ’eer en goede naam’ een ander schaden. Een vierde factor die bij de boordeling of informatie met het oog op vertrouwelijkheid al dan niet mag worden gecommuniceerd heeft te maken met intentie. Behalve de intentie van degene die oorspronkelijk informatie verstrekte is vooral de intentie van belang van degene die informatie verder communiceert. Wat beoogt hij ermee? Doet hij het in zijn eigen belang, in het al dan niet welgemeend belang van degene die ‘het onderwerp’ van de informatie is of beoogt hij er het belang van een derde of misschien zelfs het algemeen belang mee te dienen? Er kan zich in die situatie een belangenconflict of zelfs een loyaliteitsconflict voordoen zodat een afweging van belangen of loyaliteiten nodig is. Ook hiervoor bestaat geen algemene regel maar zoals een oud advocaat mij eens zei: ‘Voor ethische vragen geldt de vuistregel: Bij twijfel moet je niet oversteken’ en voor de vraag of bij een belangen- of loyaliteitsconflict informatie al dan niet verder mag worden gecommuniceerd, zou ik dezelfde vuistregel willen hanteren. Dit brengt ons op de vijfde factor en dat is de notie van toestemming. Onze club bestaat uit een groep mensen die op vrijwillige basis hebben afgesproken om samen met elkaar op een bepaalde manier de samenleving ten dienste te zijn. Wij hebben er met elkaar in toegestemd om samen iets te doen en onze samenwerking is als het ware een project waarin voortdurend ‘toestemming’ en ‘instemming’ onze ‘course of action’ bepalen. Vandaar dat ‘toestemming’ ook een belangrijke overweging moet zijn bij beantwoording van de vraag of in clubverband verkregen informatie al dan niet naar buiten toe mag worden gecommuniceerd. ‘Toestemming’ haalt de vraag uit de risicosfeer. En bij toestemming moeten we natuurlijk in de eerste plaats denken aan concrete toestemming van betrokkenen maar als om een of andere reden die toestemming niet zou kunnen worden gevraagd moet men zich afvragen of toestemming, indien gevraagd, in redelijkheid zou kunnen zijn onthouden. Nu tenslotte nog iets over de methode om vragen te beantwoorden in geval we slechts over een raamwerk van referentiepunten beschikken. Laat me beginnen te zeggen dat ik denk dat binnen de club de marges van verschil over de inhoud van onze omgangsvormen smal zijn. Gemeenschappelijk normbesef (‘wat wel en wat niet hoort’) is tenslotte de belangrijkste bindende factor tussen ons. In de meeste gevallen zal daarom onze ‘geschoolde intuïtie’ een goede aanwijzing zijn. Ik besluit met een Amerikaans kinderversje waarvan de inhoud, zoals vele kinderwijsheden, door ‘grote mensen’ te vaak vergeten wordt: ‘If your lips would keep from slips, HRL 20-06-2001 Post scriptum: De bekende Amerikaanse management guru Peter F.Drucker zegt over omgangsvormen in een artikel getiteld “Managing Oneself in Harvard Business Review (march-april 1999) pag 67: ‘Manners are the lubricating oil of an organization. It is a law of nature that two moving bodies in contact with each other create frinction. This is as true for human beings as it is for inanimate objects. Manners – simple things like saying “please” and “thank you” and knowing a persons name or asking after his family – enable two people to work together whether they like each other or not. Bright people, especially bright young people, often do not understand this. If analysis shows that someone’s brillant work fails again and again as soon as cooperation from others is required, it probably indicates a lack of courtesy – that is a lack of manners.’ |
|
|