Vertrouwelijkheid


Start Feedback Content Search this site

 

  Continue to        
Up



Vertrouwelijkheid

‘10 minutes talk’ for Rotary

Het onderwerp is ‘vertrouwelijkheid’ als omgangsvorm binnen onze club. De vraag is in hoeverre  in clubverband  verkregen informatie mag worden doorverteld.
Het is niet mogelijk  daar ‘hard and fast rules ‘ voor te geven. Daarvoor is de diversiteit van gevallen waarin vragen van vertrouwelijkheid aan de orde kunnen komen te groot. Wat  wel kan - en ik zal  proberen –  is om een aantal referentiepunten te noemen die tezamen een kader vormen aan de hand waarvan we in concrete gevallen de normen kunnen ontwikkelen voor beantwoording van  de betreffende vraag.

 Ik zal een vijftal referentiepunten noemen en een suggestie doen voor een methode om ook in moeilijke gevallen bevredigende  antwoorden  te vinden. Eerst dus het  inhoudelijke en dan als afsluiting  processuele aspecten.

Maar laat me eerst zeggen wat omgangsvormen eigenlijk zijn. Het zijn gedragsregels die enerzijds geen wettelijke of intrinsieke zedelijke waarde hebben en zich anderzijds  van gewoon gedrag onderscheiden omdat ze binnen de kring waarin ze gelden gedrag voorspelbaar maken, een dwingend karakter hebben  en daardoor het samenwerkings- of samenlevingsverband  versterken.
Ze zijn geen wettelijke normen  omdat ze niet van buitenaf opgelegd en afgedwongen worden. Ze hebben het karakter van ‘zelfregulering’. 
Zedelijke normen liggen op ‘een hoger niveau’ dan omgangsvormen. Hoewel van beide het niet naleven niet vrijblijvend is, geldt voor zedelijke normen dat ze in termen van ‘goed en kwaad ‘ inhoudelijk geladen zijn en daarom min of meer absolute gelding hebben. Omgangsvormen zijn daarentegen inhoudelijk in beginsel ethisch neutraal en hun gelding is sterk van tijd, plaats en omstandigheden afhankelijk.

 Nu dan over de referentiepunten.
Het eerste is de aard van de informatie en met name is van belang of door verspreiding ervan de privé leefsfeer, ‘de privacy’ van een ander wordt aangetast. Een voor de praktijk bruikbare definitie van het begrip privacy is nauwelijks te geven. Soms wordt het  getypeerd  als ‘ het recht om met rust gelaten te worden’, maar ook dan is het een recht waarvan de beschermingsomvang niet eenvoudig is vast te stellen. Zij is sterk afhankelijk van de omstandigheden, maar ook bijvoorbeeld van de positie die iemand in de samenleving inneemt en van het belang van hetgeen men al dan niet ‘verborgen’ wil houden. 

Het tweede referentiepunt is het waarheidsgehalte van de informatie. De waarheid spreken getuigt van respect voor zichzelf en voor anderen. Elke sociale activiteit, elke menselijke onderneming die vraagt dat mensen gezamenlijk handelen is bovendien bij voorbaat gedoemd te mislukken als men het niet zo nauw neemt met de waarheid van wat men communiceert. ‘Honesty is the best policy’. 

Het derde referentiepunt is schade. Brengt het  communiceren van informatie potentieel schade toe aan een ander? De vrijheid van de ėėn wordt beperkt door de vrijheid van de ander. Daarom mogen mensen elkaar niet schaden. Daarvan is uiteraard wel sprake  als men ongevraagd de privé leefsfeer van een ander binnendringt  maar bovendien kunnen de aard van de informatie, de persoon aan wie, het tijdstip en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder wordt gecommuniceerd zowel in materieel opzicht als in termen van ’eer en goede naam’  een ander schaden. 

Een vierde factor die bij de boordeling of informatie met het oog op vertrouwelijkheid al dan niet mag worden gecommuniceerd heeft te maken met intentie. Behalve de intentie van degene die oorspronkelijk informatie verstrekte is vooral de intentie van belang van degene die informatie verder communiceert. Wat beoogt hij ermee? Doet hij het in zijn eigen belang, in het al dan niet welgemeend belang van degene die ‘het onderwerp’ van de informatie is of beoogt hij er het belang van een derde of misschien zelfs het algemeen belang mee te dienen? Er kan zich in die situatie een belangenconflict of  zelfs een loyaliteitsconflict voordoen zodat een afweging van belangen of loyaliteiten nodig is. Ook hiervoor bestaat geen algemene regel maar zoals een oud advocaat mij eens zei: ‘Voor ethische vragen geldt de vuistregel: Bij twijfel moet je niet oversteken’ en  voor de vraag of bij een belangen- of loyaliteitsconflict informatie al dan niet verder mag worden gecommuniceerd, zou ik dezelfde vuistregel willen hanteren.  

Dit brengt ons op de vijfde factor en dat is de notie van toestemming. Onze club bestaat uit een groep mensen die op vrijwillige basis hebben afgesproken om samen met elkaar op een bepaalde manier de samenleving ten dienste te zijn. Wij hebben er met elkaar in toegestemd om samen iets te doen en onze samenwerking is als het ware een project waarin voortdurend ‘toestemming’ en ‘instemming’ onze ‘course of action’ bepalen. Vandaar dat ‘toestemming’ ook een belangrijke overweging  moet zijn bij  beantwoording van de vraag of in clubverband verkregen informatie al dan niet naar buiten toe mag worden gecommuniceerd. ‘Toestemming’ haalt de vraag uit de risicosfeer. En bij toestemming moeten we natuurlijk in de eerste plaats denken aan concrete toestemming van betrokkenen maar als om een of andere reden die toestemming niet zou kunnen worden gevraagd moet men zich afvragen of  toestemming, indien gevraagd,  in redelijkheid zou kunnen zijn onthouden.  

Nu tenslotte nog iets over de methode om vragen te beantwoorden in geval we slechts over een raamwerk van referentiepunten beschikken. Laat me beginnen te zeggen dat ik denk dat binnen de club de marges van verschil over de inhoud van onze omgangsvormen smal zijn. Gemeenschappelijk normbesef (‘wat wel en wat niet hoort’) is tenslotte de belangrijkste bindende factor tussen ons. In de meeste gevallen zal daarom onze ‘geschoolde intuïtie’  een goede aanwijzing zijn.
Waar die intuïtie te kort schiet kan analogie een zinvol hulpmiddel zijn. Daarmede bedoel ik de mogelijkheid om het geval te vergelijken met andere, werkelijke of denkbeeldige gevallen van dezelfde soort  (‘het moduleren op een zelfde thema’) om daarmede de grenzen te vinden van wat in het betreffende geval wel en niet oorbaar is.
 

Ik besluit met een Amerikaans kinderversje waarvan de inhoud, zoals vele kinderwijsheden, door ‘grote mensen’ te vaak vergeten wordt: 

‘If your lips would keep from slips,
Five things observe with care:
 Of whom you speak, to whom you speak, 
And how and when and where.’
 

 HRL

20-06-2001 

Post scriptum:

De bekende Amerikaanse management guru Peter F.Drucker zegt over omgangsvormen in een artikel getiteld “Managing Oneself in Harvard Business Review (march-april 1999) pag 67: ‘Manners are the lubricating oil of an organization. It is a law of nature that two moving bodies in contact with each other create frinction. This is as true for human beings as it is for inanimate objects. Manners – simple things like saying “please” and “thank you” and knowing a persons name or asking after his family – enable two people to work together whether they like each other or not. Bright people, especially bright young people, often do not understand this. If analysis shows that someone’s brillant work fails again and again as soon as cooperation from others is required, it probably indicates a lack of courtesy – that is a lack of manners.’    

 

 


mailto:info@fhrinstitute.org
© 2004 F.H.R. Lim A Po Institute for Social Studies