Service ideaal


Start Feedback Content Search this site

 

  Continue to        
Up



De invulling van ons service ideaal


Voordracht  ter gelegenheid van het 23-jarig bestaan van Rotary Club Paramaribo Central

Charles Taylor, een bekende moderne filosoof, schreef in 1991 een boekje waarvan de titel van de Nederlandse vertaling is: ‘De malaise van de moderniteit’. Dit boekje heeft in filosofenland nogal veel stof doen opwaaien. Taylors boodschap is dat gemeenschapszin en moreel besef in de moderne samenleving bedreigd worden door met name twee ontwikkelingen. De ene noemt hij ‘individualisering’ waarmee hij op het oog heeft  een overdreven concentratie van mensen op zich zelf.  Mensen hebben uiteraard het recht om -filosofisch bezien althans- hun eigen levenspatroon te kiezen maar wanneer dit leidt tot egocentrisme is dat een slechte zaak want egocentrisme vermindert de belangstelling voor anderen en daardoor wordt het leven vlakker en armer aan betekenis.
De andere ontwikkeling waar Taylor het over heeft noemt hij ‘instrumentalisering’  en daarmee bedoelt hij dat een soort rationaliteit  op gang gekomen is die slechts rekent in termen van efficiëntie, van kosten en baten. Mensen mogen en moeten natuurlijk hun verstandelijke vermogens zo goed mogelijk gebruiken maar ze moeten daarbij niet zodanig verzakelijken dat ze ongevoelig worden voor andere aspecten van hun menszijn.
 

Is Taylors cultuurpessimisme gerechtvaardigd? De meeste commentatoren van Taylors boek delen min of meer zijn bezorgdheid en terecht. Ik denk dat de recente opleving van het idee van de burgermaatschappij (civil society) en de actuele discussie over aanvaardbare grenzen voor het gebruik van wetenschap en technologie met deze bezorgdheid te maken hebben.
Maar hoe dan ook, de commentatoren stappen in het algemeen in hun commentaar snel over op de vraag wat met name individualisering betekent voor de spanningsverhouding tussen ‘eigenbelang’ en ‘het belang van anderen’ als drijfveren voor menselijk handelen. Niet het minst omdat het beschouwen van dit spanningsveld in de filosofie een favoriet onderwerp is.
 

En over deze spanningsverhouding wil ik het vanavond ook  met U hebben. Hoe wij die spanningsverhouding ervaren en invullen hangt samen met ons mensbeeld, wat we als wezenskenmerk van de mens aanmerken en met de wijze waarop dat mensbeeld doorwerkt in de publieke moraal. 

Eerst over het mensbeeld. In de geschiedenis van de ethiek heeft het meeste gezag de opvatting dat alles verklaarbaar is vanuit het verstand en dat daarom rationaliteit HET wezenskenmerk is van het menselijk bestaan. Typerend hiervoor is de uitspraak van de zestiende eeuwse  Franse filosoof Descartes :’ ik denk dus ik ben’. 

De belangrijkste reactie op de bezorgdheid over individualisering is een andere opvatting over het wezenskenmerk van de mens. Het is niet een alternatief voor rationaliteit maar het is de opvatting dat behalve rationaliteit ook KWETSBAARHEID een wezenlijk aspect is van het menselijk bestaan en dat de mens daarom in beide hoedanigheden aanspraak maakt op erkenning en respect. Het gaat dus om een gedifferentieerd mensbeeld  waarin tegelijk het beeld van de rationele mens en het beeld van de kwetsbare mens verschijnen. Het beeld van de rationele mens die rechten en plichten heeft, gelijk is aan zijn medemens van wie hij zich onafhankelijk kan opstellen en die zich door algemene beginselen laat leiden en het beeld van de kwetsbare mens die verantwoordelijk is, van zijn medemens verschilt en tegelijk van hem afhankelijk is; de (kwetsbare) mens die niet alleen, maar in onderlinge relaties functioneert en niet slechts handelt op basis van algemene rationele beginselen maar ook rekening houdt met de specifieke context van zijn actuele bestaan. 

Uiteraard is deze nieuwe visie op de wezenskenmerken van het menszijn niet zomaar uit de lucht komen vallen. Er zijn maatschappelijke ontwikkelingen waar zij verband mee houdt. Een ervan is de afname van de invloed van politieke ideologieën op de definiëring van normatieve omgangsvormen in de samenleving en een andere is de opkomst van de multiculturele samenleving. Tezamen hebben deze twee ontwikkelingen belangrijke invloed op de betekenis van socialisme en liberalisme voor de morele ethiek.
Wat socialisme betreft, solidariteit als het centrale streven van de sociale rechtsstaat is onder druk komen te staan van multiculturalisme. Solidariteit is nu niet zozeer meer een kwestie van gemeenschappelijkheid en eensgezindheid als wel van inlevingsvermogen en respect voor anderen.
Bij het liberalisme dringt het besef door dat respect voor de mens als kwetsbaar wezen de onaantastbaarheid van zijn fysieke en psychische integriteit veronderstelt en dat dit een verdieping betekent van het vrijheidsideaal.
 

Bij dit gedifferentieerd mensbeeld past uiteraard een andere publieke moraal dan die van het enkelvoudige mensbeeld van de rationele mens. Het is een publieke moraal die niet alleen veronderstelt dat de mens volgens verstandelijk totstandgekomen algemene morele nomen handelt maar ook dat hij ‘de afwijzing van leed van zijn medemens’ daarbij betrekt. ‘Afwijzing van leed’ wordt daarmede een nieuw ijkpunt van intermenselijke verhoudingen. 

Wat betekent dit allemaal voor de invulling van ons service ideaal? In plaats van te proberen deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden zal ik het doen aan de hand van het tweede onderdeel van onze Four Way Test, de vraag of ons handelen (wat wij denken, zeggen en doen) rechtvaardig is ten opzichte van alle betrokkenen. In feite dus de vraag of het concept van rechtvaardigheid zoals wij dat traditioneel als een van de parameters van ons service ideaal beleven, verbreding en verdieping ondergaat als gevolg van een meer geprononceerde erkenning van kwetsbaarheid als wezenlijk aspect van het menszijn. Vier aspecten waarbij van een dergelijke verrijking kan worden gesproken zal ik aan de orde stellen. 

Het eerste aspect betreft het motief achter ons handelen. Bij een mensbeeld  dat alleen uitgaat van de rationele mens wordt van de mens verwacht dat hij handelt volgens regels die door een ieder aanvaard (zouden) zijn. Dit veronderstelt gelijkheid en past dus slecht in een mensbeeld waarin kwetsbaarheid van de mens en de daar aan inherente ongelijkheid worden erkend en gerespecteerd. Het motief achter het handelen van de rationele mens is niet belangrijk. Zolang hij maar volgens de regels handelt is het goed.
Maar de mens die in zijn handelen ook het leed van zijn medemens betrekt handelt niet ‘koud’. Hij handelt juist (mede) met het oog op een betere wereld voor zijn medemens. Niet alleen rechten en plichten bepalen zijn handelen, ook zijn eigen verantwoordelijkheid. Zijn  handelen is een uiting van compassie, van menselijke warmte.

Het tweede aspect betreft de definitie van de kring van betrokkenen. In een ethiek van rationaliteit staan rechten en plichten tegenover elkaar. Er bestaat geen plicht indien er geen recht tegenover staat. Maar in een moraal die mede een ethiek van kwetsbaarheid inhoudt wordt de kring van betrokkenen bepaald door de ruimte (scope) van de verantwoordelijkheid van de ‘actor’ en die is in beginsel onbeperkt. Betrokkenen bij ons handelen zijn in dat perspectief in beginsel alle medemensen wiens leed door ons handelen kan worden afgewezen.

 Het derde aspect betreft de relatie tussen ‘de gever’ en ‘de ontvanger’, tussen de service verlener en degene die aan de andere kant staat. Regels van moraal zijn per definitie intersubjectief (intermenselijk). Toch kan men verschillend denken over de manier waarop deze intersubjectiviteit in de praktijk inhoud krijgt. Een ethiek van de rationele mens gaat uit  van een ‘autonome ik’ en de manier waarop aan de relatie inhoud wordt gegeven is dan ook een kwestie van die ‘ik’ alleen. Daar tegenover staat ‘de relationele ik’ van een ethiek van kwetsbaarheid, de ‘ik’ die zich realiseert in relatie tot anderen en zijn moreel gedrag in dialoog met anderen inhoud en vorm geeft.
Daarom is in het perspectief van het gedifferentieerd mensbeeld van de rationele mens en de kwetsbare mens van belang dat ‘de onvanger’ in zijn respect gelaten wordt, dat hij gerespecteerd wordt als subject van eigen leven, ongeacht of hij door zijn kwetsbaarheid van anderen afhankelijk is. Empathie, inlevingsvermogen bepaalt de kwaliteit van de aandacht, het begrip en de ontvankelijkheid voor noden van anderen.

En nu dan het vierde aspect, de inhoud van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid veronderstelt dat gelijk gelijk behandeld wordt en ongelijk met inachtneming van verschillen. In een ongedifferentieerd beeld van de mens als autonoom wezen moeten verschillen om moreel relevant te zijn kunnen worden veralgemeend. Dit is inherent aan het concept van morele regels zoals dat aan die ethiek ten grondslag ligt (Kants categorische imperatief).
In een gedifferentieerd mensbeeld echter, waarin behalve aspecten van autonomie en rationaliteit ook aspecten van kwetsbaarheid en afhankelijkheid worden erkend bestaat er ruimte voor de erkenning van de particulariteit  van de mens en de specifieke omstandigheden van zijn bestaan. Rechtvaardigheid vereist in die optiek meer dan handelen volgens regels die voor een ieder aanvaardbaar zijn omdat ze rationeel verklaarbaar zijn. Rechtvaardigheid vereist ook handelen gericht op een wereld waarin wij (zo) goed (mogelijk) kunnen leven omdat anderen worden gerespecteerd niet ONDANKS wat zij zijn, maar juist om WAT zij zijn, dus gewoon, niet volmaakt, beperkt, niet compleet, altijd op weg en ook vooral omdat degenen die de elementaire mogelijkheden missen om het soort leven te leiden dat zij met reden waardevol achten met compassie tegemoet worden getreden.
 

Het is duidelijk, verantwoordelijkheid, compassie in de zin van innerlijk gemotiveerd medeleven, empathie, inlevingsvermogen en respect zijn waarden die in een gedifferentieerd mensbeeld ten opzichte van het beeld van de koude rationele mens de publieke moraal een warme ‘flavour’ geven. Ik denk dat dit een ontwikkeling is die ons als Rotarians allemaal moet aanspreken.  

Recente ontwikkelingen in (het denken over)  armoede-ethiek illustreren mijns inziens duidelijk deze wijziging in onze morele oriëntatie. Ik zal daar nu wat over zeggen.
In de eerste plaats zien wij een belangrijke verruiming en verdieping  van het concept van armoede (Sen). Armoede is nu meer dan het gebrek aan inkomen en vertering. Armoede is  ook het gemis van de mogelijkheden om menswaardig in de samenleving te kunnen functioneren, zoals het kunnen lezen en schrijven, het kunnen deelnemen aan de politieke besluitvorming  en het vrijelijk zijn mening  kunnen uiten. Maar vooral is armoede ook het gemis van elementaire mogelijkheden om te overleven omdat men niet in staat is om verhongering, ondervoeding en ziekte te voorkomen. En arm zijn betreft tenslotte ook degenen die in de samenleving (dagelijks) machteloosheid, kwetsbaarheid en angst ervaren.
 

Dan is er de ontwikkeling van de zorgethiek naast de rechtenethiek (als morele oriëntatie ten aanzien van armoede). Geïnspireerd door de baanbrekende discussie in de zeventiger jaren tussen de psychologen Kohlberg en Gilligan over een verschil in oriëntatie tussen mannen en vrouwen wordt voor de benadering van armoede een accentverlegging  bepleit van een abstracte, op het concept van rationaliteit, recht en regels gebaseerde (masculiene) benadering naar een benadering die uitgaat van de kwetsbaarheid van de mens en is gebaseerd op de (feminiene) notie van zorg als morele drijfveer in de relatie tussen rijken en armen. 

De notie van zorg is ook aanzienlijk verruimd en verdiept ten opzichte van de traditionele associatie  met het begrip verzorging. Zorg is niet ‘een extra’, een uiting van liefdadigheid en barmhartigheid, of iets dat marginaal en beperkt is tot  de privé sfeer, of iets specifiek vrouwelijks, maar een wezenlijk element van het zelfbegrip van elk mens en van zijn begrip van relaties met anderen. Het is een morele houding  maar ook een alledaagse en voortdurende menselijke activiteit die in tal van verschijningsvormen tot uitdrukking komt. Zorg is een typische menselijke activiteit die alles omvat wat wij doen om ‘onze wereld’ zo te laten zijn dat wij daarin zo goed mogelijk kunnen leven (Tronto). Zorg is een essentieel proces een algemene praktijk (een pervasive activity) van het menselijk bestaan en moet als zodanig in de publieke moraal worden betrokken. 

In deze armoede ethiek draagt elk van ons verantwoordelijkheid voor de afwijzing van het leed van armen in de wereld. Armoede is een universeel probleem en wij zijn allemaal daarbij betrokken.
Betrokken zijn bij de aanpak van armoede veronderstelt een innerlijke motivatie, een  morele intentie. Gepriviligeerden hebben zeker bij een oppervlakkige overweging -en hoe veel van ons komen in het dagelijks leven niet verder - geen verstandelijke behoefte om zich in te zetten voor de opheffing van ongelijkheid tussen amen en rijken. Zij zullen eerst dan hun voorsprong ten opzichte van armen opgeven wanneer hun handelen niet slechts een kwestie is van rechten in plichten maar vooral van verantwoordelijkheid. Achter hun handelen schuilt dan een morele intentie omdat behalve hun verstand ook hun hart spreekt. Zij handelen dan met  compassie in de zin van een natuurlijke eigenstandige houding  die bij het leven hoort zodat de mens door zijn medemens in zijn kwetsbaarheid en onvolmaaktheid wordt gerespecteerd en in zijn particulariteit, zijn uniciteit welwillend  tegemoet wordt getreden.
 

Ik moet nu mijn verhaal afsluiten. Ik wil dat doen aan de hand van twee citaten die voor mij de gedachten die ik heb willen overdragen uitstekend verwoorden. 
Het eerste citaat is uit een bijdrage van Hans Boutellier aan het ‘Klein vademecum van de dagelijkse moraal’. Hij schrijft daar:

‘In de Verlichting toen de mens tot rationeel wezen werd bestempeld, gebeurde er nog iets anders -iets wat totnogtoe veel minder de aandacht heeft getrokken-: het individu werd ook kwetsbaar. Mensen kregen waarde om geen andere reden dan hun mens zijn; hun weerloosheid werd herkend als een bron voor de bepaling van het goede. We hebben er de mensenrechten aan te danken. Het is de kwetsbaarheid van de ander die de eigen kracht blootlegt, de verantwoordelijkheid om te handelen als zij wordt geschonden. Deze verantwoordelijkheid, die voorafgaat aan elke wet of regelgeving, stelt een grens aan de eigen drang tot overleven of zelfontplooiing.’
 

Het tweede citaat is uit de rede van de danser Rudi van  Dantzig ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei 1999 in Amsterdam. Hij zei toen:
‘Vrij zijn, je onbelemmerd en onbegrensd kunnen bewegen en uiten, is voor elk levend wezen van essentieel belang. De rijkdom van leven in vrijheid houdt echter ook in dat je zelf bereid moet zijn om grenzen te stellen aan de ogenschijnlijke onbeperktheid, zodat je ruimte laat voor anderen, hen niet hindert in hun gewoonten, hun tradities en zienswijzen. Vrijheid maak je met elkaar’.
 

HRL 

Hotel Krasnapolsky

31-10-2000.                               

 

 


mailto:info@fhrinstitute.org
© 2004 F.H.R. Lim A Po Institute for Social Studies