|
Charles Taylor, een bekende moderne filosoof, schreef in 1991 een boekje waarvan de titel van de Nederlandse vertaling is: ‘De malaise van de moderniteit’. Dit boekje heeft in filosofenland nogal veel stof doen opwaaien. Taylors boodschap is dat gemeenschapszin en moreel besef in de moderne samenleving bedreigd worden door met name twee ontwikkelingen. De ene noemt hij ‘individualisering’ waarmee hij op het oog heeft een overdreven concentratie van mensen op zich zelf. Mensen hebben uiteraard het recht om -filosofisch bezien althans- hun eigen levenspatroon te kiezen maar wanneer dit leidt tot egocentrisme is dat een slechte zaak want egocentrisme vermindert de belangstelling voor anderen en daardoor wordt het leven vlakker en armer aan betekenis. Is Taylors cultuurpessimisme gerechtvaardigd? De meeste commentatoren van Taylors boek delen min of meer zijn bezorgdheid en terecht. Ik denk dat de recente opleving van het idee van de burgermaatschappij (civil society) en de actuele discussie over aanvaardbare grenzen voor het gebruik van wetenschap en technologie met deze bezorgdheid te maken hebben. En over deze spanningsverhouding wil ik het vanavond ook met U hebben. Hoe wij die spanningsverhouding ervaren en invullen hangt samen met ons mensbeeld, wat we als wezenskenmerk van de mens aanmerken en met de wijze waarop dat mensbeeld doorwerkt in de publieke moraal. Eerst over het mensbeeld. In de geschiedenis van de ethiek heeft het meeste gezag de opvatting dat alles verklaarbaar is vanuit het verstand en dat daarom rationaliteit HET wezenskenmerk is van het menselijk bestaan. Typerend hiervoor is de uitspraak van de zestiende eeuwse Franse filosoof Descartes :’ ik denk dus ik ben’. De belangrijkste reactie op de bezorgdheid over individualisering is een andere opvatting over het wezenskenmerk van de mens. Het is niet een alternatief voor rationaliteit maar het is de opvatting dat behalve rationaliteit ook KWETSBAARHEID een wezenlijk aspect is van het menselijk bestaan en dat de mens daarom in beide hoedanigheden aanspraak maakt op erkenning en respect. Het gaat dus om een gedifferentieerd mensbeeld waarin tegelijk het beeld van de rationele mens en het beeld van de kwetsbare mens verschijnen. Het beeld van de rationele mens die rechten en plichten heeft, gelijk is aan zijn medemens van wie hij zich onafhankelijk kan opstellen en die zich door algemene beginselen laat leiden en het beeld van de kwetsbare mens die verantwoordelijk is, van zijn medemens verschilt en tegelijk van hem afhankelijk is; de (kwetsbare) mens die niet alleen, maar in onderlinge relaties functioneert en niet slechts handelt op basis van algemene rationele beginselen maar ook rekening houdt met de specifieke context van zijn actuele bestaan. Uiteraard is deze nieuwe visie op de wezenskenmerken van het menszijn niet zomaar uit de lucht komen vallen. Er zijn maatschappelijke ontwikkelingen waar zij verband mee houdt. Een ervan is de afname van de invloed van politieke ideologieën op de definiëring van normatieve omgangsvormen in de samenleving en een andere is de opkomst van de multiculturele samenleving. Tezamen hebben deze twee ontwikkelingen belangrijke invloed op de betekenis van socialisme en liberalisme voor de morele ethiek. Bij dit gedifferentieerd mensbeeld past uiteraard een andere publieke moraal dan die van het enkelvoudige mensbeeld van de rationele mens. Het is een publieke moraal die niet alleen veronderstelt dat de mens volgens verstandelijk totstandgekomen algemene morele nomen handelt maar ook dat hij ‘de afwijzing van leed van zijn medemens’ daarbij betrekt. ‘Afwijzing van leed’ wordt daarmede een nieuw ijkpunt van intermenselijke verhoudingen. Wat betekent dit allemaal voor de invulling van ons service ideaal? In plaats van te proberen deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden zal ik het doen aan de hand van het tweede onderdeel van onze Four Way Test, de vraag of ons handelen (wat wij denken, zeggen en doen) rechtvaardig is ten opzichte van alle betrokkenen. In feite dus de vraag of het concept van rechtvaardigheid zoals wij dat traditioneel als een van de parameters van ons service ideaal beleven, verbreding en verdieping ondergaat als gevolg van een meer geprononceerde erkenning van kwetsbaarheid als wezenlijk aspect van het menszijn. Vier aspecten waarbij van een dergelijke verrijking kan worden gesproken zal ik aan de orde stellen. Het eerste aspect betreft het motief achter ons handelen. Bij een mensbeeld dat alleen uitgaat van de rationele mens wordt van de mens verwacht dat hij handelt volgens regels die door een ieder aanvaard (zouden) zijn. Dit veronderstelt gelijkheid en past dus slecht in een mensbeeld waarin kwetsbaarheid van de mens en de daar aan inherente ongelijkheid worden erkend en gerespecteerd. Het motief achter het handelen van de rationele mens is niet belangrijk. Zolang hij maar volgens de regels handelt is het goed. Het tweede aspect betreft de definitie van de kring van betrokkenen. In een ethiek van rationaliteit staan rechten en plichten tegenover elkaar. Er bestaat geen plicht indien er geen recht tegenover staat. Maar in een moraal die mede een ethiek van kwetsbaarheid inhoudt wordt de kring van betrokkenen bepaald door de ruimte (scope) van de verantwoordelijkheid van de ‘actor’ en die is in beginsel onbeperkt. Betrokkenen bij ons handelen zijn in dat perspectief in beginsel alle medemensen wiens leed door ons handelen kan worden afgewezen. Het derde aspect betreft de relatie tussen ‘de gever’ en ‘de ontvanger’, tussen de service verlener en degene die aan de andere kant staat. Regels van moraal zijn per definitie intersubjectief (intermenselijk). Toch kan men verschillend denken over de manier waarop deze intersubjectiviteit in de praktijk inhoud krijgt. Een ethiek van de rationele mens gaat uit van een ‘autonome ik’ en de manier waarop aan de relatie inhoud wordt gegeven is dan ook een kwestie van die ‘ik’ alleen. Daar tegenover staat ‘de relationele ik’ van een ethiek van kwetsbaarheid, de ‘ik’ die zich realiseert in relatie tot anderen en zijn moreel gedrag in dialoog met anderen inhoud en vorm geeft. En nu dan het vierde aspect, de inhoud van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid veronderstelt dat gelijk gelijk behandeld wordt en ongelijk met inachtneming van verschillen. In een ongedifferentieerd beeld van de mens als autonoom wezen moeten verschillen om moreel relevant te zijn kunnen worden veralgemeend. Dit is inherent aan het concept van morele regels zoals dat aan die ethiek ten grondslag ligt (Kants categorische imperatief). Het is duidelijk, verantwoordelijkheid, compassie in de zin van innerlijk gemotiveerd medeleven, empathie, inlevingsvermogen en respect zijn waarden die in een gedifferentieerd mensbeeld ten opzichte van het beeld van de koude rationele mens de publieke moraal een warme ‘flavour’ geven. Ik denk dat dit een ontwikkeling is die ons als Rotarians allemaal moet aanspreken. Recente ontwikkelingen in (het denken over) armoede-ethiek illustreren mijns inziens duidelijk deze wijziging in onze morele oriëntatie. Ik zal daar nu wat over zeggen. Dan is er de ontwikkeling van de zorgethiek naast de rechtenethiek (als morele oriëntatie ten aanzien van armoede). Geïnspireerd door de baanbrekende discussie in de zeventiger jaren tussen de psychologen Kohlberg en Gilligan over een verschil in oriëntatie tussen mannen en vrouwen wordt voor de benadering van armoede een accentverlegging bepleit van een abstracte, op het concept van rationaliteit, recht en regels gebaseerde (masculiene) benadering naar een benadering die uitgaat van de kwetsbaarheid van de mens en is gebaseerd op de (feminiene) notie van zorg als morele drijfveer in de relatie tussen rijken en armen. De notie van zorg is ook aanzienlijk verruimd en verdiept ten opzichte van de traditionele associatie met het begrip verzorging. Zorg is niet ‘een extra’, een uiting van liefdadigheid en barmhartigheid, of iets dat marginaal en beperkt is tot de privé sfeer, of iets specifiek vrouwelijks, maar een wezenlijk element van het zelfbegrip van elk mens en van zijn begrip van relaties met anderen. Het is een morele houding maar ook een alledaagse en voortdurende menselijke activiteit die in tal van verschijningsvormen tot uitdrukking komt. Zorg is een typische menselijke activiteit die alles omvat wat wij doen om ‘onze wereld’ zo te laten zijn dat wij daarin zo goed mogelijk kunnen leven (Tronto). Zorg is een essentieel proces een algemene praktijk (een pervasive activity) van het menselijk bestaan en moet als zodanig in de publieke moraal worden betrokken. In deze armoede ethiek draagt elk van ons verantwoordelijkheid voor de afwijzing van het leed van armen in de wereld. Armoede is een universeel probleem en wij zijn allemaal daarbij betrokken. Ik moet nu mijn verhaal afsluiten. Ik wil dat doen aan de hand van twee citaten die voor mij de gedachten die ik heb willen overdragen uitstekend verwoorden. Het tweede citaat is uit de rede van de danser Rudi van Dantzig ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei 1999 in Amsterdam. Hij zei toen: HRL Hotel Krasnapolsky 31-10-2000. |
|
|