|
Recht, Politiek en Samenleving ‘Bescherming, bedreiging en beleving van de rechtsstaatgedachte’ De rechtsstaat is in deze voordracht de gemeenschappelijke noemer waarop een aantal knelpunten in het relatieveld van recht, politiek[1] en samenleving besproken worden. Deze knelpunten manifesteren zich onder meer als gebreken in de rechtshandhaving en de rechtshuishouding, ondergraving van ambtelijke neutraliteit en bestuurlijke kwaliteit en een gemis aan beleving van rechtstatelijke waarden en normen binnen de samenleving. Mijn voordracht bestaat uit vier delen. In het eerste deel zet ik de rechtsstaatgedachte uiteen. In het tweede deel behandel ik de knelpunten die ik zojuist noemde tegen de achtergrond van de beginselen van de rechtstaatgedachte. In het derde deel bespreek ik de politieke bestuurscultuur zoals die zich in de loop der jaren in ons land ontwikkeld heeft en concludeer dat deze bestuurscultuur de gesignaleerde knelpunten in de hand werkt of in stand houdt. Ik besluit in het laatste deel met aanbevelingen die kunnen helpen om de rechtsstaatgedachte een nieuwe impuls te geven. rechtsstaatgedachte In het liberale rechtsstaatidee, dat in de 18e eeuw onstond maar nog steeds actueel is, is de kern van de rechtsstaat de binding van overheidsmacht aan ‘maat en regel’ teneinde burgers tegen overheidswillekeur te beschermen. Van tevoren vastgestelde rechtsregels en de handhaving daarvan zijn belangrijk als basis van de betrekkingen tussen overheid en burger. Het klassieke liberale rechtsstaatidee is in de 19e eeuw verrijkt door het idee van de democratische rechtsstaat. Daarmee werden de beginselen van het parlementair stelsel, van het primaat van de rechtstreeks gekozen president en van de scheiding van politiek en overheid geïntroduceerd. De vrijheidsrechten werden uitgebreid met politieke grondrechten. Een gelijksoortig proces voltrok zich in de 20e eeuw door de opkomst van het idee van de sociale rechtsstaat. Daarin geldt als beginselen dat de overheid tot taak heeft condities te scheppen waaronder burgers daadwerkelijk in vrijheid kunnen leven en dat alle overheidshandelen niet alleen een wettelijke grondslag moet hebben maar ook de toets van behoorlijk bestuur moet kunnen doorstaan. Op de drempel van de 21e eeuw zien we wederom een verrijkingsproces van het rechtsstaatidee zich voltrekken. Door sommigen is dit proces getypeerd als het idee van de digitale rechtstaat[2]. Wat daarin voorop staat is het beginsel dat burgers medeverantwoordelijkheid dragen voor overheidsbestuur en daarom recht hebben op participatie in besluitvormingsprocessen van de overheid. Daarbij sluit het beginsel aan van transparantie van overheidsbestuur. Meer dan daarvoor wordt in dit rechtsstaatidee het belang bevestigd dat overheidsmacht voortdurend moet worden gelegitimeerd door aansluiting van de waarden en normen van de rechtsstaatgedachte bij die van de levende rechtsstaat. Hoewel de kern van de rechtsstaat universeel onomstreden is, operationaliseert elke samenleving op eigen wijze de verschillende ideeën van de rechtsstaat. Maar er moet aan een aantal basisvoorwaarden zijn voldaan om met recht van het functioneren van een rechtsstaat te kunnen spreken. De belangrijkste daarvan zijn een effectieve rechtshandhaving, een adequaat presterende overheid, en een levendige burgerlijke samenleving als draagvlak. De gesignaleerde knelpunten in het relatieveld van recht, politiek en samenleving in Suriname hebben op deze basisvoorwaarden betrekking. een rechtsorde zonder tanden De rechtshandhaving in ons land is uiterst gebrekkig en onze rechtshuishouding is, evenals die van andere overheidsdiensten, in de laatste twee decennia schromelijk verwaarloosd. Enigszins gechargeerd uitgedrukt kunnen we zeggen dat we leven in ‘een rechtsorde zonder tanden’. Rechtshandhaving is in het algemeen en in de eerste plaats afhankelijk van de staat en het onderhoud van het rechtssysteem. Versterking van de rechtsorde vraagt om antwoord op een aantal vragen. De meest ingrijpende is de vraag of de ontwikkeling van ons rechtssysteem moet worden bevorderd als opzichzelfstaand systeem, moet worden gevoed vanuit het Nederlands systeem of zich moet voltrekken in het raakvlak van ‘common law’ en ‘civil law’. Elk van deze drie opties stuit op fundamentele problemen. Voor een opzichzelfstaand rechtssysteem is de kritische massa van onze samenleving twijfelachtig klein. De contexten van ons rechtssysteem en het Nederlandse rechtssysteem groeien steeds verder uit elkaar en het raakvlak van ‘common law’ en ‘civil law’ is een spanningsveld van twee verschillende rechtssystemen. Een volgende vraag die de staat en het onderhoud van het rechtssysteem betreft is de bemensing van de rechtelijke macht en het outilleren van het apparaat als voorwaarden voor een goede rechtshuishouding. Als gevolg van tekorten in de bemensing en het outilleren van de rechterlijke macht wordt de procesgang een steeds langere weg en rechtsbescherming dreigt, indachtig het adagium ‘justice delayed is justice denied’ een illusie te worden. Naast de staat en het onderhoud van het rechtssysteem is een belangrijk aspect van rechtshandhaving de daadwerkelijke naleving, vrijwillig en gedwongen, van de rechtsnormen waaruit het rechtssysteem bestaat. Gebrek aan vertrouwen in het recht bij burgers heeft tot gevolg dat zij zelf minder geneigd zijn om volgens het recht te leven. Zij trekken daarmee een grotere wissel op een overheid die wegens onvermogen reeds tekort schiet in het afdwingen van de naleving van rechtsnormen. De rechtspleging komt als gevolg hiervan terecht in een vicieuze cirkel. een gepolitiseerde overheid De politieke motor van onze rechtsstaat is een partijendemocratie. Het parlement is gereduceerd tot een instrument van politieke partijen en de dualistische relatie tussen regering en parlement is ondermijnd. De voortdurende constitutionele onduidelijkheid over de aard van ons stelsel – presidentieel, parlementair, gemengd of uniek- past bij deze karakterisering. Tegelijk is er sprake van vereenzelviging van de politiek met de overheid. Regerende politieke partijen identificeren zich met overheid en overheidsbeleid en verwaarlozen hun eigenlijke rol als intermediair tussen bestuur en burger. Bovendien is de politiek verambtelijkt en de ambtenarij verpolitiseert. De politieke elite (ministers, parlementariërs etc) bestaat overwegend uit ambtenaren[3] en het benoemingsbeleid met betrekking tot de openbare dienst en adviesorganen is volledig partijpolitiek bepaald. De praktijk van een dergelijke gepolitiseerde overheid kan worden vergeleken met de ‘closed shop’ traditie van vakbonden in Angelsaksische landen.[4] Wat zijn hiervan de gevolgen voor de rechtsstaat? Overheidsbestuur is anders dan rechtspleging niet een volstrekt neutrale a-politieke activiteit. De politiek-normatieve inslag van overheidsbestuur moet worden erkend. Maar deze erkenning mag niet geheel ten koste gaan van het beginsel van ambtelijke neutraliteit omdat dan een belangrijke tegenwicht van willekeur van de overheid wordt prijs gegeven. Met name wanneer het gaat om willekeur die door partijpolitieke overwegingen is ingegeven. Maar de gevolgen voor de rechtstaat van de vereenzelviging van politiek en overheid zijn niet beperkt tot de waarborgen van ambtelijke neutraliteit als voorwaarde van de liberale rechtsstaatidee. Van belang is ook de uitholling van het democratische grondrecht van gelijke benoembaarheid volgens objectieve criteria. Dit recht krijgt langzamerhand als het ware een corporatief karakter. Het gaat daarmede dezelfde kant op als het passief kiesrecht dat in de partijendemocratie ook een groepsrecht geworden is. Het wordt van een individueel recht een groepsrecht dat men alleen kan uitoefenen als men tot een bepaalde partijpolitieke groep behoort.[5] Ook elementen van de sociale rechtsstaat komen door vereenzelviging van de politiek met de overheid onder druk. Een daarvan is het beginsel van de dienende overheid: de staat is er voor de burgers en daarom moet de overheid haar werkzaamheden doelmatig en doeltreffend verrichten[6]. Omdat vereenzelviging van politiek en overheid leidt tot verwatering van deskundigheid en bestuurlijke kwaliteit als benoemings-en bevorderingscriteria, wordt dit beginsel in feite opgeofferd aan wat Couwenberg heeft getypeerd als ‘een zelfzuchtig streven van politieke partijen om bestuursbetrekkingen te monopoliseren’.[7] miskende verantwoordelijkheid Vandaag aan de dag wordt in ons land, nadat een verkiezingsmandaat is verstrekt, nog steeds door de politiek verwacht dat burgers, die niet tot de politieke elite behoren, leven in een ondergeschikte verhouding met de overheid. Deze verwachting is gebaseerd op miskenning van het beginsel van de digitale rechtsstaat dat burgers, georganiseerd in doel-en belangengroepen medeverantwoordelijkheid dragen voor overheidsbestuur en een daarmede corresponderende publieke verantwoordingsplicht hebben. Er voltrekt zich in de wereld een paradigma verschuiving van ordeningsmechanismen van ‘staat plus markt’ naar ‘markt plus democratie’. Medeverantwoordelijkheid van burgers voor overheidsbestuur is een wezenlijk element daarvan. Het gaat bij deze paradigmaverschuiving immers niet alleen om het terugtreden van de staat ten gunste van de markt, maar ook om de aanvulling van de politieke democratie met sociale democratie. Politieke democratie is gebaseerd op vertegenwoordiging en sociale democratie heeft directe participatie als uitgangspunt. Voor de rechtsstaat betekent directe participatie een versterking van de legitimerende wisselwerking tussen ‘de rechtsstaat van bovenuit’ en ‘de rechtsstaat vanonder uit’. Maar een werkelijk legitimerend draagvlak van de samenleving voor de rechtstaat onstaat alleen bij verinnerlijking door de burgers van rechtstatelijke normen en waarden. Deze verinnerlijking van rechtstatelijke normen en waarden wordt bereikt door burgers medeverantwoordelijkheid te geven voor overheidsbestuur en daaromtrent publieke verantwoording van ze te verlangen. De structuren waarbinnen dit geschiedt zijn netwerken en samenwerkingsverbanden binnen bestuursgebieden waarvoor de politiek de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt, maar de operationele verantwoordelijkheid deelt met belangen- en doelgroepen in de samenleving. We noemen deze gebieden ‘de gedeelde publieke ruimte’.[8] Voor deze ‘horizontalisering’ van de verhouding tussen overheid en burgers moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. De structuren waarbinnen burgers medeverantwoordelijkheid dragen en daarvoor verantwoording afleggen zijn democratisch en participatorisch en dus niet hiërarchisch. Er wordt binnen die structuren gewerkt op basis van algemene beleidsrichtlijnen die de politiek op grond van haar eindverantwoordelijkheid heeft vastgesteld en niet ter uitvoering van specifieke instructies. De toepasselijke besluitvormingsprocessen beogen behartiging van deelbelangen maar deze gaan met in achtneming van beginselen van behoorlijk bestuur op in besluiten die strekken tot behartiging van het algemeen belang. Een voorbeeld van een dergelijk netwerk is binnen het terrein van arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid ‘een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog’ tussen overheidsbestuur, private sector en vakbeweging die, met het oog op sociale rust en rechtvaardigheid en economische stabiliteit en groei, invulling geeft aan het algemeen sociaal economisch beleid. Van wezenlijk belang voor de toegevoegde waarde van dergelijke netwerken en samenwerkingsverbanden is dat burgers ‘empowered’ en mondig zijn zodat zij inderdaad zelf verantwoordelijkheid kunnen dragen voor hun beslissingen en daarover publiekelijk aanspreekbaar zijn.Hun verantwoordelijkheid en verantwoording zijn niet door de wijze van hun benoeming of anderszins ‘bij voorbaat’ door ‘politieke discipline’ ingekaderd Er heeft zich in de loop der jaren in ons land een politieke bestuurscultuur ontwikkeld die helaas de besproken knelpunten in het functioneren van onze rechtstaat in de hand werkt of in stand houdt. De karakteristieken van deze bestuurscultuur zijn een sterk gecentraliseerde hiërarchische machtsstructuur, een praktijk van accommodatie binnen de regerende politieke elite, politieke loyaliteit als norm, bestuurlijke besluitvormingsprocessen met een laag democratisch gehalte en een passieve burgerlijke samenleving die niet in staat is een tegenwicht te vormen van partijpolitieke uitwassen. De variant die wij hebben kenmerkt zich behalve door haar ‘topdown’ karakter en door een relatief passieve burgerlijke samenleving vooral door de centrale plaats van politieke loyaliteit. De ambtenarij fungeert als een belangrijke politieke rekruteringsbasis en democratische aspecten van besluitvormingsprocessen zijn aan de ‘input’ kant ‘politically disciplined’ en aan de ‘output’ kant hangt een zweem van ‘politieke buitverdeling’. Daarnaast is er het kenmerk van coalitie en onderlinge accommodatie van politieke partijen, geboden door de noodzaak om binnen onze sterk plurale samenleving te besturen op basis van consensus en compromis en niet op basis van competitie en conflict. Dit is een loffelijk streven maar als coalitievorming ontaardt in ‘een politiek machtsverdelingkartel’ wordt de democratische rechtsstaat in zijn wortel aangetast. Achterstallig onderhoud van ons rechtssysteem, politieke beïnvloeding van de naleving van rechtsnormen en het toezicht daarop, en rechtspleging zonder effectieve rechtsbescherming, komen de rechtsstaat niet ten goede maar passen wel bij deze bestuurscultuur waarin vooral de norm van politieke loyaliteit verlammend werk op scheiding van machten en op de effectiviteit van ‘checks and balances’ binnen de overheid, beide basisvoorwaarden van een democratische rechtsstaat. Omdat politieke loyaliteit de norm is, zijn verlies aan ambtelijke neutraliteit en bestuurlijke kwaliteit in deze bestuurscultuur onvermijdelijk. De ambtenarij is opgehouden een tegenwicht te zijn van politieke excessen (‘corruption of political purpose’) en de overheid mist het organiserend vermogen om de doeleinden van de sociale rechtsstaat effectief en efficiënt te verwezenlijken. Onze bestuurscultuur beschouwt burgers nog als ‘onderdanen van de overheid’. Daarom wordt in zijn algemeenheid aan burgers de mogelijkheid ontzegd om medeverantwoordelijkheid te dragen voor overheidsbestuur. Medeverantwoordelijkheid die afhankelijk is van partijpolitieke loyaliteit biedt onvoldoende ruimte aan ‘mondige burgers’ om in een gehorzontaliseerde relatie ten opzichte van het overheid mede-producenten te zijn van overheidsbestuur. een nieuwe impuls Er zou, om aan onze rechtsstaat een nieuwe impuls te geven een politieke cultuuromslag tot stand moeten worden gebracht die een andere verhouding tussen politiek en overheid en tussen overheid en burger bewerkstelligt. De verstrengeling van de overheid door de politiek zou plaats moeten maken voor een verhouding waarin, gebaseerd op een scheiding van beleid en uitvoering, niet alleen het primaat van de politiek maar ook ambtelijke neutraliteit wordt gerespecteerd. Een dergelijke cultuuromslag is op korte termijn geen realistische optie. Cultuur is: gedrag, mentaliteit, omgangsvormen, onderlinge verhoudingen en de balans van rechten en plichten. Cultuur veranderen is daarom een zeer veel omvattend proces. Cultuur is bovendien behoudend. De betreffende referentiekaders en gedragsnormen zijn geïnstitutionaliseerd en als elke institutie zal ook onze politieke bestuurscultuur zichzelf zo goed en zo lang als mogelijk trachten in stand te houden. Toch denk ik dat een proces op gang zou moeten worden gebracht dat op den duur kan leiden tot een bestuurscultuur die beter dan de huidige aansluit bij de rechtsstaatgedachte en de beginselen daarvan. Mijn tweede suggestie is het vervolg op een aanbeveling die ik enkele maanden geleden deed in mijn voordracht voor de Vereniging van Economisten in Suriname. Ik heb toen gepleit voor het integraal in kaart brengen van de gedeelde publieke ruimte en voor het ontwikkelen van een samenhangend systeem van ordening van die ruimte als aanzet voor de institutionalisering van een levendige burgersamenleving. Maar dat is niet voldoende voor een nieuwe impuls voor onze rechtsstaat. Buiten Sociëteit ‘Het Park’ 05-11-03 [1] Het hoofdthema van deze voordracht is de vereenzelviging van de ‘politiek’ met de ‘overheid’ in onze huidige bestuurcultuur. Tegen deze achtergrond werd gekozen voor de typering van ‘politiek’ in plaats van ‘overheid’ als domein van de rechtsstaat. [2] Mr.M.A.P.Bovens, De digitale rechtsstaat, inaug.rede UvU 18 november 1998 [3] De President en de Vice President hebben een ambtelijke achtergrond. Hetzelfde geldt voor drie/kwart van de Ministers en van de 51 leden van de Nationale Assemblee zijn 39 actief of gepensioneerd ambtenaar. [4] S.W.Couwenberg NJB 7 mei 1992 afl 19 pg. 612-614. [5] Couwenberg t.a.p. [6] De toekomst van de Nationale rechtsstaat, Rapport WRR 2002 pg.51 [7] Couwenberg t.a.p. [8] H.R.Lim A Po, Goed Bestuur in de gedeelde publieke ruimte, Voordracht voor de Vereniging van Economisten in Suriname, maart 2003 [9] Peter Sommerville, Governance and Democratic Transformation, Bristol 2003, pg.11 |
|
|