Een nieuw tijdperk


Start Feedback Content Search this site

 

  Continue to        
Up


Een nieuw tijdperk?

Voordracht  ter gelegenheid van het 50 jarig bestaan van de VSB

H.R.Lim A Po  

1.Inleiding
1.Zoals de titel van mijn voordracht suggereert gaat het evenals 15 jaren geleden om een exercitie in ‘denken over de toekomst’. Ik begon toen met de opmerking dat wie over de toekomst denkt nog niet beoogt haar te voorspellen; dat in tegendeel juist hij beter dan anderen weet dat de toekomst niet voorspelbaar is.

Maar ik voegde er ook aan toe dat systematisch denken over de toekomst ons beter in staat stelt ons op veranderingen voor te bereiden, ze te beïnvloeden en op ze in te spelen.

Deze opmerkingen zijn voor vanavond evenzeer van toepassing. Het verschil met toen is dat mijn voordracht vanavond niet zal gaan over mogelijke toekomstige ontwikkelingen van onze nationale economie maar over het maatschappelijk ordeningsidee dat wij huldigen en de indicaties over de richting waarin zij zich schijnt te ontwikkelen.     

2.Vrijheid, gelijkheid en solidariteit zijn de fundamentele waarden die aan de ordening van de samenleving ten grondslag liggen. De wijze waarop zij gestalte krijgen is bepalend voor inhoud, vorm en  onderlinge relatie van de drie basissectoren van de samenleving, te weten: de overheid, gestuurd door de politiek; het bedrijfsleven, gestuurd door de markt en een netwerk van verenigingsverbanden en andere maatschappelijke instituten die collectief worden aangeduid als de burgermaatschappij of ook wel als ‘het maatschappelijk middenveld’ (in het Engels spreekt men van ‘civil society’). 

3.Het thema van mijn voordracht  is de  stelling dat er ten aanzien van het idee over de  maatschappelijke ordening een nieuw tijdperk aanbreekt omdat er een nieuw evenwicht in de rangschikking van deze fundamentele waarden aan het ontstaan is. Het nieuwe evenwicht laat een herschikking zien van vrijheid, gelijkheid en solidariteit over de grenzen van de drie sectoren heen. Ik typeer deze ontwikkeling als een ‘ verschuiving van paradigma, verschuiving  van een ‘maakbare samenleving ’ naar een ‘ondernemende samenleving’. 

4.Ik begin mijn verhaal met kort in herinnering te brengen wat vrijheid, gelijkheid en solidariteit als fundamentele waarden inhouden, wat de rollen zijn die traditioneel overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij worden toegedacht en wat tegen die achtergrond de karakteristieken zijn van de ‘maakbare samenleving’.
Daarna bespreek ik de belangrijkste mondiale en nationale ontwikkelingen die aanleiding zijn om thans de ‘maakbare samenleving’ als ordeningsconcept ter discussie te stellen.  
Vervolgens zet ik uiteen hoe deze ontwikkelingen doorwerken in de rollen van overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij en hoe de paradigma verschuiving naar de ‘ondernemende samenleving’ eruit ziet. Ter illustratie van de praktische betekenis van de verschuiving bespreek ik dan gevolgen voor het ontwikkelingsbeleid. In aansluiting daarop wijs ik op de rol van de VSB in deze nieuwe context en ik besluit met een persoonlijke noot.

2.Vrijheid, gelijkheid en solidariteit
5.De Engelse filosoof Isaiah Berlin schreef  in 1958  ‘Two Concepts of Liberty’. Zijn  onderscheid tussen twee begrippen van vrijheid is sindsdien gemeen goed. Het  eerste begrip is negatieve vrijheid, het domein waarin iemand ongestoord door anderen, dat kan doen of zijn wat in zijn vermogen ligt. Deze opvatting van vrijheid is vooral bedoeld als een verdedigingswal tegen de staat, tegen de overheid.

De andere is de positieve opvatting. Binnen deze opvatting gaat het om de mate waarin iemand meester is over zijn eigen bestaan, om de mate waarin iemand in werkelijkheid zelfstandig en weloverwogen keuzes kan doen om richting te geven aan zijn leven. De politieke vertaling hiervan wordt gevormd door de democratie: de mogelijkheid voor individuen om samen met degenen met wie zij een gemeenschap vormen richting te geven aan hun samenleving. 

6.Ook van gelijkheid onderscheidt men in het algemeen twee betekenissen.  In beide betekenissen is gelijkheid in conflict met (negatieve) vrijheid. De eerste betekenis is die van  gelijkheid in termen van uitkomst en omstandigheden. Om gelijkheid in deze zin te realiseren blijkt het nodig om onvrijwillig van sommigen te nemen om aan anderen te geven.

De andere betekenis van gelijkheid is gelijkheid in termen van kansen en mogelijkheden. In tegenstelling tot hetgeen geldt voor offers in relatie tot de eerst genoemde vorm van gelijkheid bestaat in het algemeen bereidheid om  vrijwillig offers in vrijheid te brengen ten dienste van deze vorm van gelijkheid (investeringen in massa onderwijs, gezondheidszorg en ter voorkoming van discriminatie).  

7.Solidariteit is de derde fundamentele waarde. In zijn boek ‘A Theory of Justice’ uit 1971 definieert de bekende Amerikaanse rechtsfilosoof John Rawls solidariteit als ‘de eis dat sociale en economische ongelijkheden in de samenleving zodanig moeten worden ingericht dat redelijkerwijze verwacht kan worden dat zij tot voordeel strekken van de minstbedeelden’. Zo bekeken brengt solidariteit een synthese tot stand tussen vrijheid en gelijkheid, of nog beter, vrijheid en gelijkheid gaan op in solidariteit waardoor solidariteit vrijheid en gelijkheid overstijgt.   

3.Overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij
8.De primaire taak van de overheid is handhaving van recht en orde. Van de overheid wordt ook verwacht dat zij met het oog op sociale rechtvaardigheid (door middel van belastingheffing en het doen van uitkeringen) inkomen herdistribueert. Bovendien wordt tot haar taak gerekend dat zij met het oog op zekerheid en doelmatigheid vitale onderdelen van het economisch gebeuren ter hand neemt en sociaal-economische ontwikkeling voorbereidt en mogelijk maakt. 

9.De markt is het sturingsmechanisme van het bedrijfsleven in ruime zin. Het is gebaseerd op het principe van ‘de spontane orde’. Dat is de notie dat in een context waarin individuele rechten op vrijheid en eigendom zijn gewaarborgd, een systeem gebaseerd op vrijwillige ruil van goederen en diensten ‘heilzaam’ werkt. De markt creëert, vanuit de maatschappij beschouwd, toegevoegde waarde. Voorwaarde voor deze ‘heilzame’ werking van de markt is dat bedrijven en andere deelnemers aan het marktgebeuren vrij zijn hun eigen belangen na te streven mits zij  daarbij gelijke rechten van anderen  respecteren en hun macht niet misbruiken. De overheid is verantwoordelijk voor inbedding en ziet toe op naleving van deze voorwaarde. 

10.De rol van een de burgermaatschappij  pleegt in het algemeen minder te worden geëxpliciteerd dan die van overheid en markt. Het wordt min of meer als vanzelfsprekend beschouwd dat een actief netwerk van maatschappelijke instituten zoals gezinnen, kerken, scholen, markten en verenigingen een onmisbaar draagvlak vormt voor een democratisch functionerende samenleving. 

4.De ‘maakbare samenleving’
11.De filosofische grondslag van de ‘maakbare samenleving’ is het rationalisme, het geloof dat er voor alle vragen een juiste en eenvoudige oplossing is.

De ideologische  overweging  is die van een samenleving, waarin  wordt verondersteld dat een sociaal rechtvaardige ontwikkeling alleen mogelijk is indien de overheid daaraan leiding geeft en mag interveniëren indien zij dat nodig acht.
Het combineren van  deze twee premissen leidt tot de conclusie dat de overheid in principe in staat en gehouden is om alle maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Het leidend ethisch beginsel dat hierbij wordt gehanteerd is solidariteit. 

12.In het verlengde hiervan geldt de opvatting dat politieke bestuurders aanspreekbaar zijn op de uitkomst van alle facetten van het maatschappelijk proces. Verantwoordelijkheid en aanspreekaarheid van politici worden geëffectueerd binnen het kader van een representatie-democratie, dus binnen het krachtenveld van regering en parlement.
De belangrijkste ontwikkelingsdoelstelling is (economische) groei. Er wordt van uitgegaan dat bij de vormgeving en realisatie van het daarop afgestemde beleid  overheid, bedrijfsleven en (de betreffende onderdelen van) de burgermaatschappij duidelijk onderscheiden belangen voorstaan  en hun interactie vindt danook plaats aan de hand van een conflict model.    

13.Het is moeilijk om de balans op te maken. Er is over de afgelopen 50 jaren zeker   economische vooruitgang geweest hoewel we ontevreden zijn over de mate waarin. We zijn met recht ook verontwaardigd  over de toenemende kloof tussen arm en rijk. Maar het is vooral  ontsporing van de collectieve sector die twijfels over de doelmatigheid van het concept van de ‘maakbare samenleving’ heeft doen ontstaan. We kennen ook hier in Suriname het euvel van een buiten proporties gegroeid ambtenarenapparaat, een onbeheersbaar financieringstekort van de overheid en een ernstig verwaarloosde sociale en fysieke infrastructuur.  

5.Een nieuwe context
14.Het schikkingspatroon van vrijheid, gelijkheid en solidariteit dat aan de basis ligt van de ‘maakbare samenleving’ en de daarin passende rolverdeling van overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij staan onder druk. 

15.In de eerste plaats ten gevolge van ontwikkelingen die zich wereldwijd voltrekken. De belangrijkste houdt verband met de beëindiging van de Koude oorlog ruim 10 jaren geleden. Niet alleen verdween daarmee plotseling het gevaar van een kernoorlog, ook de ideologische strijd tussen liberalisme en communisme werd beslecht. Het geloof dat iedere man en vrouw het recht heeft deel te nemen aan het maken van wetten waar zij aan onderworpen zijn heeft ideologisch, de pretentie van een kleine groep in de samenleving dat zij zich het recht mag aanmatigen om anderen de wet op te leggen in de hoek gezet.
Het is ook onwaarschijnlijk geworden dat een serieus land gauw weer zal gaan experimenteren met een door de overheid gecontroleerde bevelseconomie. Een op de markt georiënteerde economie wordt in een of andere vorm steeds  meer als een verkiesbaar alternatief voor de centraal geleide plan-economie gezien. 
Tenslotte heeft moderne technologie tot gevolg dat geld en ideeën zich zo snel kunnen verplaatsen dat het moeilijk is voor overheden om de stroom daarvan te controleren.

In politiek en economisch opzicht vervagen de grenzen tussen landen en de macht van de overheid loopt als gevolg daarvan terug. 

16.Maar er zijn ook locale ontwikkelingen die invloed hebben op de doelmatigheid van ‘de maakbare samenleving’ als ordeningsconcept.
Een daarvan is dat het dekolonisatie proces ten einde loopt. Als ijkpunt daarvoor beschouw ik het feit dat in het kader van ontwikkelingshulp (goed bedoeld) ‘paternalisme’ plaats maakt voor ‘internationalisme’. De verlening van ontwikkelingshulp door Nederland aan Suriname zal steeds minder worden aangemerkt als een morele plicht uit het koloniale verleden en steeds meer als (onderdeel van) een internationale’ opdracht waarvan de naleving afhankelijk is van algemene voorwaarden omtrent het verloop van het moderniseringsproces zoals bescherming van mensenrechten, de rechtstaatgedachte, democratie, behoorlijk bestuur en duurzame ontwikkeling.  

17.De tweede locale ontwikkeling betreft de ‘informele economie’ (economische activiteiten die buiten de boeken en buiten het gezichtsveld van de belastingen worden gehouden en niet in overheidsstatistieken worden verwerkt). Elk land heeft wel een informele economie. In ontwikkelde landen varieert de omvang van 10 tot 20% van het bruto nationaal product. In ontwikkelingslanden loopt dit percentage op tot wel 75%. De percentages van de werkzame bevolking die wel en niet bij de informele economie zijn betrokken hebben vergelijkbare proporties. Hoge percentages doen vermoeden dat in de betreffende landen – en Suriname is daar waarschijnlijk geen uitzondering op-  de drijfveer voor het bestaan van de informele economie drievoudig is: overleving, belastingontduiking en ontduiking van de strafwet (corruptie en handel in verdovende middelen).Vandaar de opmerking dat in die landen voor beleidsvorming het onderscheid tussen arm en rijk minder zinvol is dan het onderscheid tussen degenen die wel en degenen die niet van de informele sector afhankelijk zijn.   

18.Hoe deze nieuwe contextuele ontwikkelingen zich laten  vertalen in een nieuwe schikking van vrijheid, gelijkheid en solidariteit komt aan de orde wanner ik straks de verschuiving van het paradigma van de ‘maakbare samenleving’ naar dat van de ‘ondernemende samenleving’ bespreek.
Eerst bespreek ik nu de specifieke veranderingen  in de rol van overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij, te weten ‘aantasting van het primaat van de overheid’, ‘opleving van geloof in de markt’ en ‘toename van het besef van het wezenlijk belang van een actieve burgermaatschappij’. 

6.Aantasting van het primaat van de overheid:
19.Aantasting van het primaat van de overheid is de keerzijde van een opleving van het geloof in de markt. Maar er zijn ook van de markt onafhankelijke, speciaal aan de politiek gerelateerde veranderingen die het gezag van de overheid in negatieve zin beïnvloeden en het geloof in het vermogen van de overheid om aan de sociaal-politieke werkelijkheid vorm en richting te geven doen verminderen. 

20.Politieke partijen tenderen te bouwen op historische vanzelfsprekendheden en zich onvoldoende toe te leggen op voortdurende stimulering en organisatie van principiële meningsvorming onder en ten behoeve van (groepen) burgers over (onderdelen van) de publieke zaak. Een gunstige uitzondering daarop vormt in de internationale context de discussie van ‘de nieuwe sociaal-democraten’ over ‘de derde weg’ als reactie op de ontideologisering van de politiek aan het einde van de Koude oorlog. 

21.Ook schieten politieke parijen in het algemeen te kort in hun functie als intermediair tussen burger en overheid. De wijze waarop zij aan die functie inhoud en vorm geven is te veel gebaseerd op een niet langer geaccepteerde veronderstelling dat politici (tussen verkiezingen in) beter dan burgers weten wat goed voor hen is. 

22.Politici moeten in zich leiderschap en bestuurlijke kwaliteiten verenigen. In een moderne complexe samenleving verschuift het accent van leiderschap naar bestuurlijke kwaliteiten. Wanneer de politiek zich niet  aanpast versterkt zij de indruk dat behalve redenen die aan opleving van geloof in de markt zijn gerelateerd ook overwegingen die het functioneren van de overheid zelf betreffen, verkleining van de rol van de overheid rechtvaardigen. 

23.Een specifieke bezorgdheid omtrent het functioneren van overheid en politiek  is een  toename van misbruik van publieke functies voor persoonlijk gewin. Als niets anders ondermijnt corruptie  geloofwaardigheid van overheid en politiek.
Corruptie tast niet alleen geloofwaardigheid aan, het ondermijnt de democratie zelf en het is een ernstig obstakel voor ontwikkeling. Dit geldt zowel voor ‘greed based corruption’ van de elite als ‘need based corruption’ van ‘de kleine man’. Het is volgens  Wolfensohn, de President van de Wereldbank ‘the largest single inhibitor of equitable economic development’. Vandaar de nu gangbare eis voor ontwikkelingshulp  dat niet alleen een gedegen economisch en sociaal rechtvaardig beleid wordt gevoerd maar dat het land ook behoorlijk wordt bestuurd (‘clean government’). In antwoord op degenen die zich achter de vaagheid van deze eis proberen te verschuilen zegt Wolfensohn: ‘We should be clear; while terms such as corruption and good governance might sound fuzzy to some people, we know a great deal about what concrete steps to take  to reduce corruption and improve governance’.

Tegen deze achtergrond hebben een aantal ontwikkelingslanden programma’s  ter bestrijding van corruptie ontwikkeld waarvan de kern is transparante en effectieve verslaggeving van de overheid. 

7.Opleving van geloof in de markt:
24.Nu kom ik te spreken over de opleving van het geloof in de markt. Gesteund door het geloof in maakbaarheid van de  samenleving werd de economische reconstructie van westerse democratieën na de Tweede wereld oorlog aangepakt op de grondslag van een gemengde economie. Gevangen tussen enerzijds de ervaring uit de depressie  hoe meedogenloos ‘rauw’ kapitalisme kan zijn en anderzijds de opkomende bedreiging van het communisme  werd geconcludeerd dat een markt systeem om dienstbaar te zijn aan een stabiele en rechtvaardige samenleving, moest worden afgezwakt en aangevuld met zodanige taken van de overheid dat in feite het primaat voor de maatschappelijke ordening bij overheid en politiek werd gelegd. 

25. Aan het eind van de zeventiger jaren komt hierin echter een kentering. De overheid gaat terrein verliezen aan de markt. Het begon in landen met een Anglo-Amerikaanse cultuur (Thatcherism in Engeland en Reaganism in de VS) waar de variant van de gemengde economie zo wie zo meer ‘hands off’ was dan in andere westerse democratieën. Maar het proces breidde zich, mede onder invloed van multinationale hulporganisaties zoals de Wereldbank en het IMF, sinds de afbraak van het communisme uit  tot de traditionele ontwikkelingslanden en de Oost-Europese landen met een overgangseconomie. Overheden privatiseren staatsbedrijven, besteden publieke dienstenverlening uit, dereguleren nutsbedrijven en andere industrieën, verkleinen hun bureaucratieën en doen er alles aan om belastingen te verlangen en overheidsuitgaven te besnoeien.  Werkelijke aansluiting bij deze ontwikkeling zal voor vele ontwikkelingslanden nog jaren duren maar niemand  zal  ontkennen dat zich alom in de wereld een trend van  fundamentele verschuiving van het primaat van de overheid naar dat van de markt heeft ingezet. 

8.Besef van het belang van de burgermaatschappij:
26. Een goed uitgangspunt om te wijzen op het belang van een actieve burgersamenleving is de onlangs door de Franse Minister President Alain Jospin gemaakte opmerking dat hij voorstander is van een ‘markt economie’ maar tegenstander van een ‘markt samenleving’. Hij bedoelt dat een sterke markt het niet kan zonder een sterke sociale samenhang. Maar ook een overheid kan niet effectief functioneren zonder een stevig draagvlak in de samenleving en zonder de inzet en het normbesef van vrije, zelfstandige burgers. Gemeenschapszin en burgerzin zijn waarden van vitale betekenis.

27.De Franse staatsman Tocqueville heeft in 1835 in zijn boek ‘Democracy in America’ geschreven dat het hem tijdens zijn bezoek aan Amerika was opgevallen hoe belangrijk een actieve ‘civil society’ is voor de vorming van democratische waarden.
Francis Fukuyama de jonge Amerikaanse politicoloog die in zijn in 1992 verschenen boek ‘The end of History and the Last Man’ er als eerste op gewezen heeft dat het einde van de Koude oorlog wel eens zou kunnen betekenen dat liberale democratie en de markt economie de enige levensvatbare benadering voor organisatie van de samenleving zouden kunnen blijken te zijn, heeft in een volgend boek, ‘Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity’ de observatie van Tocqueville aangevuld met de stelling dat in een samenleving waarin de ‘civil society’ niet actief is behalve politieke activiteiten ook het marktgebeuren met hoge ‘transactie kosten’ gemoeid gaat. 

28.Maar de belangrijkste aanwijzing voor de toename van de betekenis van de burgermaatschappij is wellicht de opkomst van het verschijnsel van de NGO’s.
Onder hun invloed lijkt het  thans een algemeen aanvaard beginsel, dat de burgermaatschappij, waarvan particuliere verenigen en instellingen belangrijke onderdelen zijn, los van overheid en markt een eigen algemene maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot fundamentele zaken zoals democratie, mensenrechten, het behoud van de rechtsstaat, duurzame ontwikkeling en behoorlijk bestuur. 

9.Van een ‘maakbare samenleving’ naar een ‘ondernemende samenleving’
29.Nu over de verschuiving van het paradigma zelf. ’Rationalisme’ is omstreden geworden als filosofische grondslag voor een maatschappelijk ordeningsconcept. Daarvoor in de plaats wordt ‘pluralisme’ bepleit.
De pluralist huldigt het standpunt dat vanwege de spanningen die er onderling tussen de fundamentele waarden in de samenleving bestaan en de overvloed en diversiteit van politieke belangen die bij vraagstukken van maatschappelijke ordening betrokken zijn, het niet mogelijk is voor die vraagstukken eenvoudige en eenduidige antwoorden te vinden. De veronderstelling van de rationalist dat uit een complexe traditie van politiek en moreel gedrag een aantal simpele regels kan worden afgeleid en dat aan de hand daarvan  antwoorden op maatschappelijke vraagstukken zouden kunnen worden geformuleerd is een illusie. In de visie van de pluralist volgt de oplossing van maatschappelijke vraagstukken uit hun aard en de specifieke omstandigheden bezien in het licht van de relevante fundamentele waarden en normen die binnen de burgergemeenschap leven. 

30. In een ordeningsconcept met een pluralistische filosofische grondslag is vrijheid in zijn positieve betekenis (de vrijheid van mensen om hun eigen keuzes te doen) het leidend ethisch beginsel. Solidariteit is een centraal thema maar in meer formele zin dan in het concept van de ‘maakbare samenleving’. Het is de ethische grondslag voor samenwerkingsverbanden en wederkerige verantwoordingsverplichtingen die tussen overheid, bedrijfsleven en burgermaatschappij bestaan maar niet de ethische rechtvaardiging voor interventie van de overheid in het totale maatschappelijke gebeuren. De rechtvaardiging daarvoor is doelmatigheid: ‘De overheid moet doen wat zij het beste kan en de rest moet zij aan de markt overlaten’ want ‘niet de politiek moet beslissen over de behoeften van de burger, maar de burger zelf die immers ook de rekening betaalt’. 

31. Bij deze grotere betekenis van de vrijheid van burgers om hun eigen keuzes te doen past een vrijwillige bereidheid om ter vergroting van de dezelfde keuzevrijheid van medeburgers offers te brengen. Zo als ik eerder zei is dit de grondslag voor krachtig overheidsbeleid inzake volksgezondheid, onderwijs en anti-discriminatie. 

32. In dit beeld past ook de gedachte dat de drie basissectoren van de samenleving in evenwicht zijn. Geen van drie domineert. Ze functioneren in een aaneengesloten geheel en bij voorbereiding en realisering van beleid worden de belangen die zij voorstaan  beschouwd als met elkaar te zijn vervlochten. Er is danook ter aanvulling van de representatie-democratie voortdurende directe betrokkenheid van bedrijfsleven en burgermaatschappij bij wetgeving, regelgeving en bestuur. De burgermaatschappij heeft daarbij als maatschappelijk middenveld bovendien vanzelf een scharnierfunctie ten opzichte van overheid en bedrijfsleven. 

33. Tot zover over de paradigma verschuiving  van het ordeningsidee van de ‘maakbare samenleving’ naar dat van de ‘ondernemende samenleving’. Er is echter een specifiek onderwerp dat ik als  illustratie van de betekenis van deze verschuiving voor de oplossing van concrete maatschappelijke vraagstukken nog aan de orde wil stellen. Het betreft de prioriteiten van ontwikkelingsbeleid.

10.Prioriteiten van ontwikkelingsbeleid
34. In het onlangs verschenen boek van David S.Landes ‘The wealth and poverty of nations: Why some are so rich and some are so poor’ legt  hij uit dat de redenen waarom landen rijk of arm zijn te maken hebben met de factor mens. Het gaat om diens kennis, initiatief en arbeid en om een cultuur die bevrijdend is, het  verkrijgen van kennis bevordert en initiatief en betrokkenheid bij productieve arbeid beloont. Al het andere (klimaat, natuurlijke hulpbronnen, geografische ligging en toeval) is, zo beweert hij, slechts van secundair of indirect belang  Menselijke actie en organisaties verklaren waarschijnlijk meer dan andere variabelen rijkdom en armoede. 

35. De visie van Professor  Amartya Sen, ‘development as freedom’ waarvoor hij vorig jaar de Nobelprijs in de economie verkreeg houdt in is dat groei en ontwikkeling geen doelen zijn op zich maar middelen ter vergroting van vrijheid (‘to enhance our capability to lead the kind of lives we have reason to value’). 

36. De opvattingen van Landes en Sen  passen duidelijk in het beeld van de ‘ondernemende samenleving’.
Wat zijn de praktische lessen die wij hieruit kunnen leren voor ons ontwikkelingsbeleid? In de eerste plaats hoe misleidend de veronderstelling is dat Suriname rijk is omdat het nummer 17 staat op de ranglijst van landen die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen.
Maar wat belangrijker is, is de consequentie voor het belang van gezondheidszorg en onderwijs. Indien de oorzaken van rijkdom de mens betreffen dan moeten de primaire doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid zijn burgers in staat te stellen ‘fit’ te blijven en hen de intellectuele ‘tools’ te geven waarmede ze kunnen denken, werken en effectief waarde creeëren. In plaats van economische activiteiten te subsidieren moet de overheid burgers de grootst mogelijke gelegenheid geven om de fysieke en geestelijke hoedanigheden te verkrijgen waarmede ze die activiteiten ‘voor eigen rekening’ kunnen ondernemen en organiseren. 

11.Maatschappelijk verantwoordelijke medespeler:
37. In 1959 werd ik als bestuurslid van de Surinaamse Studenten Vereniging in Leiden confronteerd met wat  ook een ‘paradigm shift’ was. Sommigen van U zullen zich de levendige discussies tussen Leiden en Delft herinneren. Het ging toen om een verschuiving van het idee dat een student alleen mocht meepraten over zaken die hem als student aangingen (het‘student as such’ concept) naar het idee dat studenten ook een ruime maatschappelijke verantwoordelijkheid hadden en daarom verplicht waren hun (luide) stem te laten horen over fundamentele zaken betreffende de samenleving.(het ‘student responsibilty’ concept).

Hoewel vele van ons met angst het ‘vrijblijvend’ karakter van onze belangenvereniging zagen aangevuld met dat van een ‘pressure group’ waarin de leden zich niet aan ruime maatschappelijke verantwoordelijkheid konden ontrekken, was de verschuiving niet te stuiten. 

38.Ik denk dat de VSB nu dezelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt als wij in onze studententijd 40 jaar geleden. Deze ontwikkeling resulteert in een VSB met het tweeledig karakter van  ‘interest group’ en van ‘pressure group’ en past bij de  rol van de burgermaatschappij in het ordeningsidee van de ‘ondernemende samenleving’ zoals ik dat heb uiteengezet.
Er is wel beweerd met name door de Amerikaanse econoom Mancur Olson in zijn in 1965 verschenen boek ‘The Logic of Collective Action’  dat het functioneren van ‘pressure groups’ de democratie ondermijnt. Ze zouden de overheid remmen om in het algemeen belang te opereren.

Olson’s visie is ruim bestreden. Olson gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat een sterke burgersamenleving een sterke overheid zou uitsluiten. Bovendien onderschat hij de bijdrage die ‘pressure groups’ leveren aan de plurale meningsvorming in de democratie en miskent hij de noodzak van aanvulling van het politiek proces vanuit de burgermaatschappij met name tussen verkiezingen in. 

39.Er is een waarschuwing die ik wil laten horen. Het tweeledig karakter van de VSB stelt bijzondere eisen aan leiderschap. Met name zal het leiderschap behalve een bestuurlijke ook een sterke idealistische trek moeten hebben. Maar misschien nog belangrijker is dat de effectiviteit van de VSB als ‘pressure group’ ( als onderdeel van de burgermaatschappij) altijd afhankelijk zal zijn van haar geloofwaardigheid ‘als interest group’ en van de reputatie van haar leden als participanten in de markt. De VSB zich daarom moeten bezinnen over richtlijnen voor verantwoord en aanvaardbaar gedrag in het bedrijfsleven.

12.Afsluiting 
40. Laat mij eindigen met een persoonlijke noot, een soort bekentenis.
Als ik mezelf de vraag zou stellen of de gesignaleerde verschuiving  van paradigma zich in Suriname zal voltrekken zou ik daarop uiteraard geen stellig antwoord kunnen geven. Aansluiting op de ontwikkelingen die zich in de rest van de wereld voltrekken zal  tijd en inspanning  en vooral veel goede wil vergen.
Maar ik zou mezelf vertrouwen inboezemen. De overheid zich zal zo langzamerhand moeten gaan realiseren dat zij hier en daar moet terugtreden wat gepaard zal moeten gaan met een heroverweging van de overheidstaken en zal moeten leiden tot revitalisatie van de overheid. Onze economie zal deelachtig worden aan de effecten van globalisering, of we dat nou graag willen of niet. En recente manifestaties wijzen op een groeiend  collectief besef in de burgermaatschappij van wat  wenselijk is en wat moet worden vermeden.  

En ik zou een stap verder gaan. Ik zou mezelf een ‘ondernemende samenleving’ als de verbeelde toekomst voor de geest halen, als de toekomst om naar te leven, omdat die toekomst de mogelijkheid in zich houdt om een tweede golf van bevrijding te weeg te brengen, een die alsnog de beloften van onze onafhankelijkheid in vervulling laat gaan.

Hotel Torarica
28.03.2000

 


mailto:info@fhrinstitute.org
© 2004 F.H.R. Lim A Po Institute for Social Studies